afspoelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·spoe·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afspoelen
spoelde af
afgespoeld
zwak -d volledig

Werkwoord

afspoelen

  1. (overgankelijk) een opgewonden draad of band van een klos afwentelen
    Ik heb het hele garen afgespoeld en opnieuw opgewonden.
  2. (overgankelijk) iets oppervlakkig reinigen door het onder stromend water te houden
    Ik heb de kopjes even afgespoeld.
  3. (ergatief) ~ van door stromend water van zijn plek gehaald worden
    Ik had dat niet opgeborgen en nu het van het dek afgespoeld.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen