afspoelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·spoe·len
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afspoelen |
spoelde af |
afgespoeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
afspoelen
- (overgankelijk) een opgewonden draad of band van een klos afwentelen
- Ik heb het hele garen afgespoeld en opnieuw opgewonden.
- (overgankelijk) iets oppervlakkig reinigen door het onder stromend water te houden
- Ik heb de kopjes even afgespoeld.
- (ergatief) ~ van door stromend water van zijn plek gehaald worden
- Ik had dat niet opgeborgen en nu het van het dek afgespoeld.