afwijken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·wij·ken
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| afwijken | afwijkend |
| afwijking | |
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afwijken |
week af |
afgeweken |
| klasse 1 | volledig | |
Werkwoord
afwijken
- (ergatief) niet de gangbare norm volgen
- Hij week af van de norm en deed wat hij zelf wilde.
- (inergatief) in strijd zijn met
- Waarom heeft het dagelijks bestuur afgeweken van het advies van de commissie?