afwijken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·wij·ken
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
afwijken afwijkend
afwijking


stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afwijken
week af
afgeweken
klasse 1 volledig

Werkwoord

afwijken

  1. (ergatief) niet de gangbare norm volgen
    Hij week af van de norm en deed wat hij zelf wilde.
  2. (inergatief) in strijd zijn met
    Waarom heeft het dagelijks bestuur afgeweken van het advies van de commissie?
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen