afstammen

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·stam·men

Werkwoord

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afstammen
stamde af
afgestamd
zwak -d volledig

afstammen

  1. ~ van: een nakomeling zijn van
    Koningin Beatrix stamt af van Johan Willem Friso.
  2. in directe lijn teruggevoerd kunnen worden.
    Het Nederlands stamt af' van het West-Germaans.'
Vertalingen
Persoonlijke instellingen