afwassen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
- IPA:
- (Noord-Nederland): /'ɑfʋɑsə(n)/
- (Vlaanderen, Brabant): /'ɑfβ̞ɑsə(n)/
- (Limburg): /'ɑfwɑsə(n)/
Woordafbreking
- af·was·sen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afwassen |
waste af |
afgewassen |
| gemengd | volledig | |
Werkwoord
afwassen
- (overgankelijk) het schoonmaken van de vaat, zoals, messen, vorken, lepels, borden
- We waren om zeven uur aan het afwassen.
- (overgankelijk) ~ van iets ergens van af wassen
- Hij was zojuist de schmink van zijn gezicht aan het afwassen.
Vertalingen
[1] het schoonmaken van de vaat, zoals, messen, vorken, lepels, borden
Zelfstandig naamwoord
afwassen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord afwas
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.