afwassen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Afwassen [1]

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·was·sen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van wassen met het voorvoegsel af-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afwassen
waste af
afgewassen
gemengd volledig

Werkwoord

afwassen

  1. (overgankelijk) het schoonmaken van de vaat, zoals, messen, vorken, lepels, borden
    We waren om zeven uur aan het afwassen.
  2. (overgankelijk) ~ van iets ergens van af wassen
    Hij was zojuist de schmink van zijn gezicht aan het afwassen.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

afwassen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord afwas

Meer informatie