afnemen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afnemen |
nam af |
afgenomen |
| klasse 4 | volledig | |
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
Woordafbreking
- af·ne·men
Werkwoord
afnemen (scheidbaar)
- (overgankelijk) iemand iets ~: iemand iets doen verliezen.
- Hem werd zijn auto afgenomen.
- (overgankelijk) een bepaalde hoeveelheid kopen bij een producent.
- De landbouw neemt veel producten af van de chemische industrie.
- stof ~: met een zachte doek stof van meubelen verwijderen
- Ik heb zojuist stof afgenomen.
- (ergatief) minder groot of talrijk worden.
- Het geweld in Bosnië is gelukkig sterk afgenomen.