afnemen

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afnemen
nam af
afgenomen
klasse 4 volledig
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
Woordafbreking
  • af·ne·men

Werkwoord

afnemen (scheidbaar)

  1. (overgankelijk) iemand iets ~: iemand iets doen verliezen.
    Hem werd zijn auto afgenomen.
  2. (overgankelijk) een bepaalde hoeveelheid kopen bij een producent.
    De landbouw neemt veel producten af van de chemische industrie.
  3. stof ~: met een zachte doek stof van meubelen verwijderen
    Ik heb zojuist stof afgenomen.
  4. (ergatief) minder groot of talrijk worden.
    Het geweld in Bosnië is gelukkig sterk afgenomen.
Synoniemen
1
afpakken , ontnemen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen