afscheid
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·scheid
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | afscheid | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
afscheid o
- een begroeting bij het elkaar verlaten
Vertalingen
1. een begroeting bij het elkaar verlaten
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| afscheiden |
afscheid
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afscheiden
- ... dat ik afscheid.
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich afscheiden
- ... dat ik me afscheid.