afvuren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·vu·ren
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afvuren |
vuurde af |
afgevuurd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
afvuren
- (overgankelijk) wegschieten van kogels, projectielen
- De groepering vuurde raketten af op vijandelijke doelen.
- De erewacht vuurde saluutschoten af.