afvuren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·vu·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van vuren met het voorvoegsel af-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afvuren
vuurde af
afgevuurd
zwak -d volledig

Werkwoord

afvuren

  1. (overgankelijk) wegschieten van kogels, projectielen
    De groepering vuurde raketten af op vijandelijke doelen.
    De erewacht vuurde saluutschoten af.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen