aflopen

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aflopen
liep af
afgelopen
klasse 7 volledig
Uitspraak
Woordafbreking
  • af·lo·pen

Werkwoord

aflopen

  1. eindigen
    De termijn van deze overeenkomst loopt morgen af.
  2. hellen
    Deze vloer loopt een beetje af.
  3. het klinken van een alarmsignaal.
    De wekker liep af, maar hij sliep er dwars doorheen.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen