aflopen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| aflopen |
liep af |
afgelopen |
| klasse 7 | volledig | |
Uitspraak
Woordafbreking
- af·lo·pen
Werkwoord
aflopen
- eindigen
- De termijn van deze overeenkomst loopt morgen af.
- hellen
- Deze vloer loopt een beetje af.
- het klinken van een alarmsignaal.
- De wekker liep af, maar hij sliep er dwars doorheen.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. eindigen