aflopen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·lo·pen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| aflopen |
liep af |
afgelopen |
| klasse 7 | volledig | |
Werkwoord
aflopen
- (ergatief) eindigen, verstrijken
- De termijn van deze overeenkomst loopt morgen af.
- (inergatief) hellen
- Deze vloer loopt een beetje af.
- (ergatief) het klinken van een alarmsignaal
- De wekker liep af, maar hij sliep er dwars doorheen.
- door veelvuldig lopen verslijten of doen loslaten
- een ruimte of uitgestrektheid in alle richtingen doorlopen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. eindigen
3. klinken van alarmsignaal
Zelfstandig naamwoord
aflopen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord afloop