aflopen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·lo·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van lopen met het voorvoegsel af-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aflopen
liep af
afgelopen
klasse 7 volledig

Werkwoord

aflopen

  1. (ergatief) eindigen, verstrijken
    De termijn van deze overeenkomst loopt morgen af.
  2. (absoluut) hellen
    Deze vloer loopt een beetje af.
  3. (ergatief) het klinken van een alarmsignaal
    De wekker liep af, maar hij sliep er dwars doorheen.
  4. door veelvuldig lopen verslijten of doen loslaten
  5. een ruimte of uitgestrektheid in alle richtingen doorlopen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

aflopen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord afloop