buitenaf

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bui·ten·af

Bijwoord

buitenaf

  1. op ruime afstand van de stad
    Hij is buitenaf gaan wonen.
  2. van ~: vanuit de buitenkant
    Hij kon de deur van buitenaf niet openkrijgen.