buitenaf
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bui·ten·af
Bijwoord
buitenaf
- op ruime afstand van de stad
- Hij is buitenaf gaan wonen.
- van ~: vanuit de buitenkant
- Hij kon de deur van buitenaf niet openkrijgen.