afsluiten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·slui·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afsluiten
/'ɑf.slʌʏ.tə(n)/
sloot af
/slot 'ɑf/
afgesloten
/'ɑf.xə.slo.tə(n)/
klasse 2 volledig

Werkwoord

afsluiten

  1. (overgankelijk) zorgen dat iets of iemand niet in, uit of door iets kan gaan, alle openingen dicht doen
    De Deltawerken waren erop gericht om zo veel mogelijk zeearmen af te sluiten.
  2. (overgankelijk) zorgen dat iets niet meer werkt, alle verbindingen verbreken
    Gas en elektra zijn al afgesloten, want we gaan morgen verhuizen.
  3. (overgankelijk) een officiële afspraak op papier maken, officieel regelen
    Heeft u een huisdier? Dan moet u ook een goede huisdierenverzekering afsluiten.
  4. (overgankelijk) een einde maken aan
    We sluiten het feest af met vuurwerk.
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen