afslaan
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·slaan
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afslaan |
sloeg af |
afgeslagen |
| klasse 6 | volledig | |
Werkwoord
afslaan
- (overgankelijk) iets weigeren aan te nemen
- Hij sloeg een tweede borrel af omdat hij nog moest rijden.
- (overgankelijk) door een slaande beweging iets omlaag doen bewegen
- Deze thermometer moet nog afgeslagen worden.
- (overgankelijk) een aanval succesvol het hoofd bieden, verdrijven
- De aanval werd echter afgeslagen.
- (overgankelijk) bij afslag veilen
- (onovergankelijk) zijwaarts gaan
- Hij sloeg naar links af.
- (onovergankelijk) ophouden te werken (van motoren etc.)
- De motorfiets sloeg af.
- (onovergankelijk) in prijs minder worden
- In de uitverkoop werd de prijs afgeslagen.
Vertalingen
1. iets weigeren aan te nemen