afspreken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·spre·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van spreken met het voorvoegsel af-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afspreken
sprak af
afgesproken
klasse 4 volledig

Werkwoord

afspreken

  1. (overgankelijk) een onderling vergelijk vastleggen
    Zij spraken af om de vergadering te verzetten.
Vertalingen