afspreken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·spre·ken
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afspreken |
sprak af |
afgesproken |
| klasse 4 | volledig | |
Werkwoord
afspreken
- (overgankelijk) een onderling vergelijk vastleggen
- Zij spraken af om de vergadering te verzetten.