afleggen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·leg·gen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afleggen |
legde af |
afgelegd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
afleggen
- (overgankelijk) het voorbereiden van de overledene(n) op de begrafenis
- (overgankelijk) afstand overbruggen
- Ik moest tien kilometer afleggen om thuis te komen.
- (inergatief) ~ tegen: verliezen van
- Frankrijk legde het af tegen Nederland tijdens de voetbalwedstrijd.
- van het lichaam doen
- doen, volbrengen
- een examen afleggen
Vertalingen
1. het voorbereiden van de overledene(n) op de begrafenis
Nedersaksisch
Werkwoord
afleggen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.