afbetalen
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- af·be·ta·len
Werkwoord
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afbetalen |
betaalde af |
afbetaald |
| zwak -d | volledig | |
afbetalen
- (overgankelijk) uitgesteld in termijnen betalen
- We hebben de auto nu eindelijk afbetaald.