afbetalen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·be·ta·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van betalen met het voorvoegsel af-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afbetalen
betaalde af
afbetaald
zwak -d volledig

Werkwoord

afbetalen

  1. (overgankelijk) uitgesteld in termijnen betalen
    We hebben de auto nu eindelijk afbetaald.