weg
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: weg (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ʋɛχ/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /β̞ɛx/
Woordafbreking
- weg
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | weg | wegen |
| verkleinwoord | weggetje | weggetjes |
Zelfstandig naamwoord
weg m
- een smalle strook grond voor het verkeer
- Je mag enkel op de weg rijden, niet op het fietspad!
- een middel om iets te bereiken
- Waar een wil is, is een weg.
- een route
- Ik zoek de kortste weg naar Amsterdam.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- aan de weg timmeren
- zijn weg vinden
Vertalingen
1. een smalle strook grond voor het verkeer
aan de weg timmeren
|
zijn weg vinden
|
Bijwoord
weg
- verwijderd van de huige plaats
- Hij liep van huis weg.
- onvindbaar.
- Het kan toch niet zomaar weg zijn?
- een voortgang uitdrukkend
- Het ging fout, want hij deed het allemaal in het wilde weg.