weg
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- weg
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | weg | wegen |
| verkleinwoord | weggetje | weggetjes |
Zelfstandig naamwoord
weg m
- een smalle strook grond voor het verkeer.
- Je mag enkel op de weg rijden, niet op het fietspad!
- een middel om iets te bereiken.
- Waar een wil is, is een weg.
- een route.
- Ik zoek de kortste weg naar Amsterdam.
Vertalingen
1. een smalle strook grond voor het verkeer
Bijwoord
weg
- verwijderd van de huige plaats.
- Hij liep van huis weg.
- onvindbaar.
- Het kan toch niet zomaar weg zijn?
- een voortgang uitdrukkend.
- Het ging fout, want hij deed het allemaal in het wilde weg.