afstraffen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·straf·fen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afstraffen |
strafte af |
afgestraft |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
afstraffen
- (overgankelijk) iets betaald zetten
- Die vermetelijke daad werd meedogenloos afgestraft.