afruimen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·rui·men
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van ruimen met het voorvoegsel af-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afruimen
ruimde af
afgeruimd
zwak -d volledig

Werkwoord

afruimen

  1. (overgankelijk) de resten van een genuttigde maaltijd van de tafel halen
    Ze hadden de tuintafel nog niet helemaal afgeruimd toen de regenbui losbarstte.
Vertalingen