afruimen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·rui·men
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afruimen |
ruimde af |
afgeruimd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
afruimen
- (overgankelijk) de resten van een genuttigde maaltijd van de tafel halen
- Ze hadden de tuintafel nog niet helemaal afgeruimd toen de regenbui losbarstte.