afdoend
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·doend
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | afdoend |
| verbogen | afdoende |
Bijvoeglijk naamwoord
afdóénd
- toereikend om het probleem op te lossen
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| afdoen |
áfdoend
- onvoltooid deelwoord van afdoen
- Zijn hoed áfdoend liep hij de kerk binnen.