afdekken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·dek·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van dekken met het voorvoegsel af-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afdekken
dekte af
afgedekt
zwak -t volledig

Werkwoord

afdekken

  1. (overgankelijk) iets over iets anders heen plaatsen
    We hebben de aardbeiplantjes afgedekt tegen de vorst.
Afgeleide begrippen
Vertalingen