afdekken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: afdekken (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈɑf.dɛ.kə(n)/
- (Vlaanderen, Brabant): /ˈɑf.dɛ.kə(n)/
- (Limburg): /ˈɑv.dɛ.kə(n)/
Woordafbreking
- af·dek·ken
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afdekken |
dekte af |
afgedekt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
afdekken
- (overgankelijk) iets over iets anders heen plaatsen
- We hebben de aardbeiplantjes afgedekt tegen de vorst.