afleren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·le·ren
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afleren |
leerde af |
afgeleerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
afleren
- (overgankelijk) leren iets niet langer te doen of een fout in het geleerde te verbeteren
- Hem werd het spijbelen op hardhandige wijze voorgoed afgeleerd.
Vertalingen
1. leren iets niet langer te doen of een fout in het geleerde te verbeteren