afwisselen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·wis·se·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afwisselen
wisselde af
afgewisseld
zwak -d volledig

Werkwoord

afwisselen

  1. (inergatief) om en om plaatsvinden
    Zonnige perioden wisselden af met lichte buien.
  2. (overgankelijk) twee of meer zaken om en om laten plaatsvinden
    We kunnen ook de vokale en instrumentale stukken afwisselen.
Afgeleide begrippen
Vertalingen