afsnijden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·snij·den
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afsnijden |
sneed af |
afgesneden |
| klasse 1 | volledig | |
Werkwoord
afsnijden
- (overgankelijk) ergens een stuk vanaf halen, bekorten, inkorten
- Hij moest eerst het topje van de fles afsnijden voordat hij hem kon gebruiken.
- (overgankelijk) rakelings langs iemand naar dezelfde weghelft gaan, versperren, blokkeren
- Ik werd vanmiddag weer afgesneden door zo'n snelle auto.
- De terugtocht van de troepen werd afgesneden
- (overgankelijk) een afkorting in een traject nemen, een weg bekorten
- Door deze weg te nemen, kunnen wij een heel stuk afsnijden
- (overgankelijk) afsluiten, onmogelijk maken
- Vanochtend werd de elektra weer afgesneden
Vertalingen
1. ergens een stuk vanaf halen