afrit
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·rit
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | afrit | afritten |
| verkleinwoord | afritje | afritjes |
Zelfstandig naamwoord
afrit m
- een verkeersweg waarlangs men naar beneden van een autoweg of autosnelweg af kan rijden
- Neem de eerste afrit links en ga vervolgens rechtdoor.