afhouwen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·hou·wen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afhouwen |
hieuw af |
afgehouwen |
| klasse 7 | volledig | |
Werkwoord
afhouwen
- (overgankelijk) door houwen iets afscheiden
- Met een slag van zijn zwaard hieuw hij zijn tegenstander de kop af.