afhouwen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·hou·wen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afhouwen
hieuw af
afgehouwen
klasse 7 volledig

Werkwoord

afhouwen

  1. (overgankelijk) door houwen iets afscheiden
    Met een slag van zijn zwaard hieuw hij zijn tegenstander de kop af.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen