afvaardigen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: afvaardigen (hulp, bestand)
- IPA: /ˈɑˌfaːrdəɣə(n)/
Woordafbreking
- af·vaar·di·gen
Woordherkomst en -opbouw
- Samenstelling van het verouderde werkwoord vaardigen met het voorvoegsel af-
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afvaardigen |
vaardigde af |
afgevaardigd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
afvaardigen
- (overgankelijk) iemand machtigen om iets te vertegenwoordigen, meestal een vereniging of een staat
- De burgemeester had hem afgevaardigd om die vereniging te vertegenwoordigen.