afvaardigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·vaar·di·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van het verouderde werkwoord vaardigen met het voorvoegsel af-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afvaardigen
vaardigde af
afgevaardigd
zwak -d volledig

Werkwoord

afvaardigen

  1. (overgankelijk) iemand machtigen om iets te vertegenwoordigen, meestal een vereniging of een staat
    De burgemeester had hem afgevaardigd om die vereniging te vertegenwoordigen.
Vertalingen