afkoelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·koe·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afkoelen |
koelde af |
afgekoeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
afkoelen
- (ergatief) kouder worden
- Het water koelde langzaam af.
- (overgankelijk) kouder doen worden
- Hij koelde de hete plaat af door er water op te gooien.
Vertalingen
1. (ergatief) kouder worden