afscheiden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: afscheiden (hulp, bestand)
Woordafbreking
- af·schei·den
Woordherkomst en -opbouw
- afgeleid van scheiden met het voorvoegsel af-
- zie Middelnederlands afsceiden.
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afscheiden |
scheidde af |
afgescheiden |
| gemengd | volledig | |
Werkwoord
afscheiden
- (overgankelijk) afzonderen, uit de aanwezigheid van iets verwijderen
- De waterige laag werd in een scheitrechter afgescheiden van de olie.
- (overgankelijk) een stof voortbrengen en afgeven aan de omgeving
- Dit feromoon wordt afgescheiden door het wijfje van de mot en zelfs in uiterst kleine hoeveelheden al opgemerkt door het mannetje.
- (wederkerend) zich ~: een apart (kerk)genootschap of aparte staat gaan vormen
- Deze kerk heeft zich in de vorige eeuw afgescheiden.