afscheiden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·schei·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afscheiden
scheidde af
afgescheiden
gemengd volledig

Werkwoord

afscheiden

  1. (overgankelijk) afzonderen, uit de aanwezigheid van iets verwijderen
    De waterige laag werd in een scheitrechter afgescheiden van de olie.
  2. (overgankelijk) een stof voortbrengen en afgeven aan de omgeving
    Dit feromoon wordt afgescheiden door het wijfje van de mot en zelfs in uiterst kleine hoeveelheden al opgemerkt door het mannetje.
  3. (wederkerend) zich ~: een apart (kerk)genootschap of aparte staat gaan vormen
    Deze kerk heeft zich in de vorige eeuw afgescheiden.
Vertalingen