afstompen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·stom·pen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afstompen |
stompte af |
afgestompt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
afstompen
- (ergatief) zijn scherpheid verliezen
- Dit mes is aardig afgestompt.
- (overgankelijk) van zijn scherpheid beroven
- Dat harde ruwe oppervlak stompt je mes snel af.
- (overgankelijk) iemands tegenwoordigheid van geest nadelig beïnvloeden
- Hij is door dat geestdodende werk flink afgestompt.
Vertalingen
2. van zijn scherpheid beroven
|
3. iemands tegenwoordigheid van geest nadelig beïnvloeden