aan

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak

Voorzetsel

aan
1. verbonden met, tegen, tegenaan
Het schilderij hangt aan de muur.
2. de ontvangende persoon (datief)
Ik geef die rozen aan Sandra.
3. op een bepaalde plaats
aan boord: op het schip
aan wal: op het land
aan de kade: op de kade
4. bestaande uit
Hij bezit een fortuin aan aandelen.
5. verdeeld in
De spiegel viel aan diggelen.

Bijwoord

  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     aan  
  neutraal     eraan  
  nabij     hieraan  
  veraf     daaraan  
  vragend     waaraan  
  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    aanzetten: jij zet de motor aan.
  2. prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
    deze soort is er nauw aan verwant .

Bijvoeglijk naamwoord

aan
  1. (predicatief) actief, in bedrijf
    De kachel is aan.

Vertalingen
Teruggeplaatst van "http://nl.wiktionary.org/wiki/aan"
Aspecten/acties
Persoonlijke instellingen