aan
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- aan
Voorzetsel
aan
- verbonden met, tegen, tegenaan.
- Het schilderij hangt aan de muur.
- de ontvangende persoon (datief).
- Ik geef die rozen aan Sandra.
- op een bepaalde plaats.
- aan boord: op het schip.
- aan wal: op het land.
- aan de kade: op de kade.
- bestaande uit.
- Hij bezit een fortuin aan aandelen.
- verdeeld in.
- De spiegel viel aan diggelen.
Bijwoord
| vnw. bijw. | |
|---|---|
| voorzetselbijwoord | aan |
| neutraal | eraan |
| nabij | hieraan |
| veraf | daaraan |
| vragend | waaraan |
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- aanzetten: jij zet de motor aan.
- prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
- Deze soort is er nauw aan verwant .
Bijvoeglijk naamwoord
aan
- (predicatief) actief, in bedrijf.
- De kachel is aan.
Vertalingen
1. (predicatief) actief, in bedrijf
Limburgs
Uitspraak
Voorzetsel
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| bepaald | geheel | ane | aner |
| gemut. | - | - | |
| onbepaald | geheel | aan | aan |
| gemut. | - | - | |
aan + accusatief/datief