afzakken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·zak·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van zakken met het voorvoegsel af-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afzakken
zakte af
afgezakt
zwak -t volledig

Werkwoord

afzakken

  1. (ergatief) naar beneden glijden
    Die grote broek bleef maar afzakken.
  2. (ergatief) alcohol drinken
    Na de film gingen we nog even afzakken in de stad.
Vertalingen