afzakken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·zak·ken
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afzakken |
zakte af |
afgezakt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
afzakken
- (ergatief) naar beneden glijden
- Die grote broek bleef maar afzakken.
- (ergatief) alcohol drinken
- Na de film gingen we nog even afzakken in de stad.