afslachten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: afslachten (hulp, bestand)
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| afslachten | afslachtend |
| afslachting | afgeslacht |
Woordafbreking
- af·slach·ten
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afslachten |
slachtte af |
afgeslacht |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
afslachten
- (overgankelijk) een populatie door slachting drastisch in aantal verminderen
- Een deel van de veestapel moest afgeslacht worden om de besmettelijke ziekte in te dammen.
- (overgankelijk) een massamoord aanrichten
- De overwonnen stam werd meedogenloos afgeslacht.