mond

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mond
enkelvoud meervoud
naamwoord mond monden
verkleinwoord mondje mondjes

Zelfstandig naamwoord

mond m

  1. (anatomie) ingang van het spijsverteringskanaal; zowel voor de ingang zelf als de achterliggende holte gebruikt.
  2. opening of ingang van iets.
  3. een soort watergang.
Synoniemen
Spreekwoorden
  • Doe dan je mond open!
Zeg dan iets!
  • Een mond als een schuurdeur hebben.
Een bijzonder grote mond hebben.
  • Iemand de mond snoeren.
Voorkomen dat iemand verder praat.
  • Iemand een grote mond geven.
Iemand onbeschoft toespreken.
  • Iemand naar de mond praten.
Zeggen wat iemand graag hoort.
  • Iedereen heeft er de mond vol van.
Iedereen praat er over.
  • Je hebt toch een Hollandse mond!
Je kunt toch praten!
  • Met de mond vol tanden staan.
Beteuterd zijn, geen antwoord weten te geven.
  • Met open mond naar iets kijken.
Volledig verbaasd naar iets kijken.
  • Niet op zijn mondje gevallen zijn.
Goed kunnen praten.
  • Uit één mond.
eenstemmig
  • Waar het hart vol van is, loopt de mond van over.
Men spreekt over datgeen waaraan men denkt. (Matth. 12:34)
  • Woorden in de mond nemen.
Iets zeggen.
Vertalingen

Afrikaans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
mond monde

Zelfstandig naamwoord

mond

  1. mond
Persoonlijke instellingen