mond
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- mond
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig van het Middelnederlandse mont, verwant met het Oudnederfrankische munt, Oudhoogduitse mund, Oudfriese mūth, Oudengelse mūð, Gotische munþs.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | mond | monden |
| verkleinwoord | mondje | mondjes |
Zelfstandig naamwoord
mond m
- (anatomie) ingang van het spijsverteringskanaal; zowel voor de ingang zelf als de achterliggende holte gebruikt
- (figuurlijk) opening of ingang van iets
- (figuurlijk) een soort watergang
Hyponiemen
Meroniemen
Afgeleide begrippen
- [1] mondgeur, mondkanker, mondeling, mondzweer
- [2] uitmonden
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
|
Vertalingen
1. ingang van het spijsverteringskanaal
|
|
Afrikaans
Uitspraak
- IPA: /mont/
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | mond | monde |
Zelfstandig naamwoord
mond
Hongaars
Werkwoord
mond