Uit WikiWoordenboek
mond m
- (anatomie) ingang van het spijsverteringskanaal; zowel voor de ingang zelf als de achterliggende holte gebruikt.
- opening of ingang van iets.
- een soort watergang.
- Zeg dan iets!
- Een mond als een schuurdeur hebben.
- Een bijzonder grote mond hebben.
- Voorkomen dat iemand verder praat.
- Iemand een grote mond geven.
- Iemand onbeschoft toespreken.
- Iemand naar de mond praten.
- Zeggen wat iemand graag hoort.
- Iedereen heeft er de mond vol van.
- Iedereen praat er over.
- Je hebt toch een Hollandse mond!
- Je kunt toch praten!
- Met de mond vol tanden staan.
- Beteuterd zijn, geen antwoord weten te geven.
- Met open mond naar iets kijken.
- Volledig verbaasd naar iets kijken.
- Niet op zijn mondje gevallen zijn.
- Goed kunnen praten.
- eenstemmig
- Waar het hart vol van is, loopt de mond van over.
- Men spreekt over datgeen waaraan men denkt. (Matth. 12:34)
- Woorden in de mond nemen.
- Iets zeggen.
1. ingang van het spijsverteringskanaal
mond
- mond