afdwalen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·dwa·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van dwalen met het voorvoegsel af-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afdwalen
dwaalde af
afgedwaald
zwak -d volledig

Werkwoord

afdwalen

  1. het juiste pad kwijt raken
    Zijn gedachten dwaalden af onder het monotone betoog van de gastspreker.
Vertalingen