aflossen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·los·sen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| aflossen |
loste af |
afgelost |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
aflossen
- (overgankelijk) de plaats innemen van, in zijn taak vervangen
- Hij loste de bewaker af.
- (overgankelijk) geheel of gedeeltelijk voldoen, terugbetalen
- Zij moest haar schuld nog aflossen.
Vertalingen
1. de plaats innemen van