afstoten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·sto·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van stoten met het voorvoegsel af-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afstoten
stootte af
afgestoten
gemengd volledig

Werkwoord

afstoten

  1. (overgankelijk) van de hand doen
    Het bedrijf wilde zijn productie afstoten.
  2. (inergatief) als eerste een bal stoten
    De spelers hadden getost om wie de biljart mocht afstoten.
Vertalingen
Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.