afzonderen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: afzonderen (hulp, bestand)
- IPA: /ˈɑfˌsɔnd(ə)rən/
Woordafbreking
- af·zon·de·ren
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afzonderen |
zonderde af |
afgezonderd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
afzonderen
- (wederkerend) zich ~ zichzelf uit de groep halen
- De man wilde zich graag afzonderen toen hij met die groep wildebrassen op stap ging.
- (overgankelijk) afscheiden