afzien
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- af·zien
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afzien 'ɑfsin |
zag af zɑx ʔɑf |
afgezien 'afɣəzin |
| klasse 5 | volledig | |
Werkwoord
afzien
- (inergatief) ~ van: besluiten iets niet te doen
- Hij zag af van zijn voornemen.
- (inergatief) lijden, ongemak doorstaan, o.a. in de sport
- Die laatste ronde was puur afzien.
- spieken
Vertalingen
1. besluiten iets niet te doen
|
2. lijden, ongemak doorstaan