afbakenen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·ba·ke·nen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afbakenen |
bakende af |
afgebakend |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
afbakenen
- (overgankelijk) de grenzen van iets duidelijk markeren
- De vaargeul was goed afgebakend.