aftreden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·tre·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aftreden
trad af
afgetreden
klasse 5 volledig

Werkwoord

aftreden

  1. (ergatief) een bepaalde positie of een bepaald ambt opgeven
    Hij is gisteren afgetreden als gouverneur van die staat.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen