aftreden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·tre·den
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| aftreden |
trad af |
afgetreden |
| klasse 5 | volledig | |
Werkwoord
aftreden
- (ergatief) een bepaalde positie of een bepaald ambt opgeven
- Hij is gisteren afgetreden als gouverneur van die staat.