afluisteren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·luis·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afluisteren |
luisterde af |
afgeluisterd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
afluisteren
- (overgankelijk) ongemerkt luisteren naar de communicatie van anderen
- De politie had de hele transactie afgeluisterd.