afluisteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·luis·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afluisteren
luisterde af
afgeluisterd
zwak -d volledig

Werkwoord

afluisteren

  1. (overgankelijk) ongemerkt luisteren naar de communicatie van anderen
    De politie had de hele transactie afgeluisterd.
Afgeleide begrippen
Vertalingen