afbreken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·bre·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van breken met het voorvoegsel af-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afbreken
brak af
afgebroken
klasse 4 volledig

Werkwoord

afbreken

  1. (overgankelijk) met de grond gelijk maken
    Het huis werd compleet afgebroken.
  2. (overgankelijk) voortijdig beëindigen
    Als een dam-, schaak- of go-partij niet binnen de afgesproken speeltijd beëindigd is, kan deze worden afgebroken.
  3. (overgankelijk) door breken scheiden
    Ouweneel pleit er ook voor dat we bij de viering van het avondmaal van één geheel brood ieder telkens een stukje afbreken.
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen