afbreken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·bre·ken
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afbreken |
brak af |
afgebroken |
| klasse 4 | volledig | |
Werkwoord
afbreken
- (overgankelijk) met de grond gelijk maken
- Het huis werd compleet afgebroken.
- (overgankelijk) voortijdig beëindigen
- Als een dam-, schaak- of go-partij niet binnen de afgesproken speeltijd beëindigd is, kan deze worden afgebroken.
- (overgankelijk) door breken scheiden
- Ouweneel pleit er ook voor dat we bij de viering van het avondmaal van één geheel brood ieder telkens een stukje afbreken.
Antoniemen
- [1] opbouwen
Verwante begrippen
- [1] vernietigen, slopen