afgaan
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·gaan
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afgaan |
ging af |
afgegaan |
| klasse 7 | volledig | |
Werkwoord
afgaan
- (ergatief) naar beneden gaan
- hij ging de trap af
- (ergatief) afgeschoten worden, in werking gebracht worden
- het geweer ging af
- de wekker ging af
- (ergatief) een slechte indruk nalaten
- hij ging af als een gieter
- (ergatief) ~ op zich baseren op
- ik zou er maar niet te veel op afgaan
- (ergatief) naar iets toegaan, bezoeken
- hij ging op hem af
- vrienden en kennissen afgaan
- (ergatief) van iets vandaan gaan, verlaten, zich verwijderen, weggaan
- hij ging van school af
- (ergatief) verminderen, verzwakken, afnemen
- de koorts gaat af
- (ergatief) stoelgang hebben, ontlasting hebben
- (ergatief) lukken, bedreven zijn
- Nederlands spreken gaat hem goed af, maar het schrijven is wat minder.
Vaste voorzetsels
- afgaan op
Vertalingen
1. naar beneden gaan
2. afgeschoten worden
3. een slechte indruk nalaten