afgaan

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·gaan
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van af en gaan.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afgaan
ging af
afgegaan
klasse 7 volledig

Werkwoord

afgaan

  1. naar beneden gaan
    hij ging de trap af
  2. afgeschoten worden, in werking gebracht worden
    het geweer ging af
    de wekker ging af
  3. een slechte indruk nalaten
    hij ging af als een gieter
  4. zich baseren op
    ik zou er maar niet te veel op afgaan
  5. naar iets toegaan, bezoeken
    hij ging op hem af
    vrienden en kennissen afgaan
  6. van iets vandaan gaan, verlaten, zich verwijderen, weggaan
    hij ging van school af
  7. verminderen, verzwakken, afnemen
    de koorts gaat af
  8. stoelgang hebben, ontlasting hebben
Vaste voorzetsels
  • afgaan op
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen