uit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: ute
Oudnederlands: ūt, ūta
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: out (Angelsaksisch: ūt, ūte), Duits: aus, (Oudhoogduits: ūz), Fries: út (Oudfries: ūt)
Noord: Zweeds: ut, ute, Deens: ud, ude
Oost: Gotisch: ût
  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     uit  
 persoonlijk     eruit  
aanwijz.   nabij     hieruit  
  veraf     daaruit  
  vragend/betrekk.     waaruit  

Voorzetsel

uit

  1. geeft aan van welke plaats iets komt.
    Dit komt uit de pot.
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • uit de boot vallen
Vertalingen
stellend
onverbogen uit
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

uit

  1. niet aan, stand van een apparaat.
    Het koffiezetapparaat is al uit.
  2. balsport term voor als de bal buiten de lijnen van het speelveld is geraakt.
    Die bal was uit!

Bijwoord

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    Uitmaken: ik maak het nu uit.
Antoniemen
Uitdrukkingen en gezegden

de woning uit moeten

  • Uit de woning gezet worden.

(er niet) over uit kunnen

  • Iets niet snappen.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
uiten

uit

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van uiten
  2. gebiedende wijs van uiten