afgeven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·ge·ven
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van geven met het voorvoegsel af-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afgeven
gaf af
afgegeven
klasse 5 volledig

Werkwoord

afgeven

  1. (overgankelijk) achterlaten op de plek van bestemming
    Gevonden voorwerpen kunnen worden afgegeven bij de conciërge.
  2. (inergatief) bij aanraking een substantie afscheiden
    Kijk uit hoor, die muur geeft af.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen