afstellen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·stel·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afstellen
stelde af
afgesteld
zwak -d volledig

Werkwoord

afstellen

  1. (overgankelijk) regelbare parameters zo kiezen dat een toestel voor een bepaald doel gereed is
    We hebben de verwarming op 21 graden afgesteld.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen