afstellen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·stel·len
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afstellen |
stelde af |
afgesteld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
afstellen
- (overgankelijk) regelbare parameters zo kiezen dat een toestel voor een bepaald doel gereed is
- We hebben de verwarming op 21 graden afgesteld.