afdak
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: afdak (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈɑf.dɑk/
- (Vlaanderen, Brabant): /ˈɑf.dɑk/
- (Limburg): /ˈɑv.dɑk/
Woordafbreking
- af·dak
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | afdak | afdaken |
| verkleinwoord | afdakje | afdakjes |
Zelfstandig naamwoord
afdak o
- een schuin van een gebouw uitstekend stuk dak dat beschutting verleent aan de buitenmuur
- Het gaat regenen; laten we even onder het afdakje gaan staan.