afdak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·dak
enkelvoud meervoud
naamwoord afdak afdaken
verkleinwoord afdakje afdakjes

Zelfstandig naamwoord

afdak o

  1. een schuin van een gebouw uitstekend stuk dak dat beschutting verleent aan de buitenmuur
    Het gaat regenen; laten we even onder het afdakje gaan staan.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen