aap

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aap
enkelvoud meervoud
naamwoord aap apen
verkleinwoord aapje aapjes

Zelfstandig naamwoord

aap m

  1. (dierkunde) het meest met de mens verwante vierhandige zoogdier uit de orde der primaten.
  2. (schertsend) een deugniet, een ondeugend persoon.
  3. een min of meer vierkant zeil dat op oude zeilschepen gebruikt werd om meer zeil bij te zetten.
Uitdrukkingen en gezegden

Zich een aap lachen.

  • Heel erg moeten lachen.

Iemand voor de aap houden.

  • Iemand beetnemen.

Iemand voor aap zetten.

  • Iemand voor schut zetten.

Zo trots als een aap.

  • Erg trots.

In de aap gelogeerd zijn.

  • Onverwacht in moeilijkheden geraakt zijn.
Spreekwoorden

Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding.

  • Iets dat lelijk is, zal nooit mooi worden.

Daar komt de aap uit de mouw.

  • De eigenlijke bedoeling blijkt nu pas.
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

aap m

  1. (Hooglimburgs) aap (zoogdier).
Verbuiging
enkelvoud meervoud
geheel gemuteerd verkleind gemuteerd verkleind geheel gemuteerd verkleind gemuteerd verkleind
nominatief aap - aepke - aper - aepkes -
genitief aaps - aepkes - aper - aepkes -
locatief apes - apeske - apese - apeskes -
datief ape - aepke - aper - aepkes -
accusatief aap - aepke - aper - aepkes -
Teruggeplaatst van "http://nl.wiktionary.org/wiki/aap"
Persoonlijke instellingen