aanhoren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- aan·ho·ren
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| aanhoren |
hoorde aan |
aangehoord |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
aanhoren
- horen naar iemand
- horen aan
Spreekwoorden
- ten aanhoren van: zodat het gehoord wordt door