aanhang

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·hang
enkelvoud meervoud
naamwoord aanhang -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

aanhang m

  1. helpers.
  2. volgelingen.
  3. partners.
  4. vrienden.

Werkwoord

vervoeging van
aanhangen

aanhang

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanhangen
    ... dat ik aanhang.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen