aanleggen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- aan·leg·gen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| aanleggen anlɛɣə(n) |
legde aan lɛɣdə 'ʔan |
aangelegd 'anɣəlɛxt |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
aanleggen
- vastmaken
- (overgankelijk) een wapen in de vereiste stand brengen om te schieten
- Zij legden aan en schoten toen het bevel klonk om te vuren.
- (inergatief) aan de wal gaan liggen
- Na enige vertraging door de mist legde het schip aan in de haven.
- een café aandoen
- tegen het lichaam leggen
- vastleggen
- (overgankelijk) maken
- Er werd een weg aangelegd die de stad met het nieuwe vliegveld verbond.
- doen
Spreekwoorden
- een maatstaf aanleggen: een maatstaf gebruiken
- aanleggen met: zich inlaten met
- het erop aanleggen: ernaar streven